Mijn schooldag

Mijn schooldag in Albanie

7:00
Om zeven uur ’s morgens sta ik op. Normaal was ik me bij de wastafel in ons huis. Maar vaak komt er geen water uit de kraan. Ook vandaag is er geen stromend water. Dus dan maar zo aangekleed. Even denken, het is vandaag vrijdag. Dan trek ik altijd mijn witte blouse aan en roze truitje.

7:30
Aan tafel eet ik brood, samen met mijn vader, moeder en broer. Op tafel ligt een rond brood en staat een potje bessenjam. De bessenjam heeft mijn moeder zelf gemaakt. De bessen hebben mijn broer en ik verzameld. Dat maakt de jam extra lekker! 

8:00
Mijn vriendin komt me om acht uur ophalen. Samen lopen we door de heuvels vijf kilometer naar school. Onderweg komen we andere kinderen uit de heuvels tegen. We kletsen veel en daardoor vergeten we de tijd.

Om negen uur beginnen de lessen. Als wij om kwart over negen bij de school aankomen, roepen de andere kinderen door het kapotte raam: “De heuvelaars zijn te laaaaat”. De meester is boos en zegt dat we vanmiddag na moeten blijven. Ik zit met mijn vriendin in een schoolbank. We schrijven samen in de schriften die we uit Nederland kregen.

13:00
In de pauze eten we buiten voor de school. Ik haal een stuk brood met bessenjam uit mijn broodtrommel. De andere kinderen uit mijn klas eten ook hun brood op. Daarna mogen we nog even spelen. Speeltoestellen zijn er niet. We klimmen in de bomen en spelen verstoppertje.

15:00
Het is koud in de klas. Ook tocht het. Er zit geen glas in de ramen. Soms hangt de meester er plastic voor. Vandaag kan dat niet, want dan wordt het in de klas te donker. Het is bewolkt buiten en verlichting is er niet. Ik zit achterin de klas vlak bij de balk die de muur van de school stut. Ik stoot mijn vriendin aan en wijs naar achteren. Samen schuiven we de schoolbank iets naar achteren. Zitten we ten minste nog een beetje uit de tocht.

Met de andere heuvelaars moet ik nablijven. In de bosjes bij de school gooien we het gat van de wc met grond dicht. Ook moeten we een nieuw gat graven.

18.00
Als ik tegen de avond thuis kom, zit mijn vader voor het huis. Hij vraagt waarom ik zo laat ben. Ik vertel dat we moesten nablijven en de wc moesten graven. Hij moet er wel om lachen en zegt: “Moeten jullie onderweg ook maar niet zo kletsen”. Ik vraag of hij bij de fabriek werk gevonden heeft. Hij knikt en zegt jo. Jammer dat het weer niet gelukt is. We gaan eten. Moeder heeft aardappelpuree gemaakt. Er is wat kool bij.

21.00
’s Avonds maken we samen met de andere mensen op de heuvel een vuurtje. We zitten tot laat om het vuur. De ouderen vertellen verhalen en we zingen allemaal. Om half elf ga ik op mijn stalen bed zonder matras liggen. Ik trek de deken over me heen en kijk nog even naar het kastje naast mijn bed. Daar staat een blikje coca cola. Dat kreeg ik een keer van mijn oom. Ik dronk het heel langzaam leeg. Het was de enige keer in mijn leven dat ik coca cola dronk. Het blikje heb ik altijd bewaard. Het is mijn liefste bezit.